U bevindt zich hier:

Proefdruk manifest

Oproep politici

Taaldossiers onderwijskrant

O-zonberichten

Inclusie-petitie

O-zon manifest

Onderwijskrant 151

Zoeken naar:

Algemeen:

Startpagina

Contact

Colofon

Radicale inclusie = apartheid binnen de klas: o-zon-petitieLAT-inclusie ( learning apart together)en radicale ontscholing

De ambities van het leerzorgplan van minister Vandenbroucke zijn revolutionair. Leren op een (gewone) school was/is in essentie een groepsgebeuren. Leerlingen in een gewone klas moe(s)ten voldoende profijt kunnen halen uit het samen optrekken binnen de leerstof en binnen gemeenschappelijke eindtermen en leerplannen. Radicale inclusie – zoals in het leerzorgplan - doorbreekt dit eeuwenoude principe en breekt met het eindtermenconcept. Veel inclusie-leerlingen kunnen bijvoorbeeld geenszins participeren aan een les begrijpend lezen in een 2de leerjaar omdat ze nog niet technisch kunnen lezen. Binnen een les cijferen in het 3de leerjaar zullen velen enkel de cijfers kunnen benoemen omdat ze nog het eenvoudige hoofdrekenen niet beheersen. In het beroepsonderwijs kunnen sommigen niet echt participeren aan een kookopdracht, omdat ze de inhoudsmaten onvoldoende kennen. Dat ze achteraf samen met de andere leerlingen het kookproduct mogen proeven, is een magere troost. In Nederland merken we dat aldus het beroepsonderwijs totaal ontwricht werd en dat steeds meer bso-scholen overgaan tot het oprichten van aparte b.o.-klassen en aldus de inclusie omzeilen. Terloops: de meeste leerkrachten en politici vonden destijds het samen plaatsen van aso- en tso-leerlingen in het VSO al te radicaal. Nu wil men een nog veel grotere heterogeniteit installeren.

90 à 95 % van de leerkrachten zijn tegenstander van radicale inclusie. Die leerkrachten vinden vooreerst dat zulke revolutionaire hervorming niet ingevoerd mag worden vooraleer ze voldoende is uitgetest. Dat is geenszins het geval. Ze zijn verder de mening toegedaan dat radicale inclusie voor heel wat leerlingen leidt tot LAT-onderwijs (learning apart together). Inclusie à la Vandenbroucke plaatst veel b.o.-leerlingen in een situatie van apartheid binnen de gewone klassen. Alle leerlingen die voldoende profijt kunnen halen uit de klassikale instructie, het samen oefenen en de klassikale feedback horen thuis in de gewone klassen. Hiertoe behoren ook de leerlingen die mits extra-zorgverbreding of GON-ondersteuning voldoende aansluiting kunnen vinden bij het groepsgebeuren. De zorgverbreding en GON-werking kunnen nog sterk verbeterd worden – maar dit is heel iets helemaal anders dan radicale inclusie. Ook in ‘gidsland Finland’ zitten b.o.-leerlingen veelal in aparte klassen - geen inclusie à la Vandenbroucke.

Inclusie-voorstanders stellen voor om voor de inclusie-kinderen telkens een apart potje te koken.
Aan dezelfde klastafel zitten, maar niet mogen mee-eten uit de klassikale pot is bijzonder pijnlijk en discriminerend. Zulke inclusie-leerlingen voelen zich uitgesloten; ze lijden onder hun situatie van apartheid binnen het leerproces en het groepsgebeuren. Het zelfbeeld en de competentiebeleving van deze LAT-leerlingen is veel lager dan wanneer ze in aangepaste b.o.-klassen -binnen of buiten het gewone onderwijs- samen met niveaugenoten kunnen optrekken. Uit onderzoek blijkt dat kinderen met een aanzienlijke leerachterstand bij de meeste schoolse vaardigheden een heel kwetsbare groep zijn.
Het buitengewoon onderwijs biedt voor deze kinderen een meer aangepast niveau waardoor ze minder faalervaringen opdoen en zich ook minder vlug een uitzondering voelen. Jammer genoeg werd de voorbije decennia al te weinig geïnvesteerd in het verhogen van de kwaliteit van het buitengewoon onderwijs.

LAT-onderwijs binnen gewone klassen komt dus onvoldoende tegemoet aan de specifieke noden en ontwikkelingsbehoeften van b.o.-leerlingen. LAT-onderwijs betekent voor hen een extra-discriminatie. Men zou veel beter de centen die men aan inclusie wil besteden, investeren in zorgverbreding en GON-ondersteuning binnen het gewone onderwijs en in verbetering van de kwaliteit van het buitengewoon onderwijs. Of we beter werken met b.o.-klassen binnen een aantal grotere scholen of met aparte b.o.-scholen laten we hier buiten beschouwing. In 1970 waren de politici en de beleidsadviseurs er stellig van overtuigd dat het systeem van aparte b.o.-klassen niet deugde. Ook toen vonden wij dat de beleidsmensen voortvarend te werk gingen.

LAT-inclusie tast ook het basisprincipe van het huidige onderwijs aan. In de huidige heterogene klassen van het lager onderwijs moeten leerkrachten nu al bijna het onmogelijke doen om alle leerlingen samen te houden en om extra aandacht te besteden aan de zwakkere leerlingen en aan de taalproblemen van migrantenleerlingen. In een klas met LAT-leerlingen zullen die zwakkere leerlingen nog minder aandacht krijgen. LAT-inclusie betekent dus ook minder aandacht voor de achterstandsleerlingen binnen het huidige onderwijs. Het leidt tot ontscholing voor alle leerlingen.

Raf Feys, namens o-zon (Onderwijs Zonder ONtscholing: www.o-zon.be)

We nodigen leerkrachten, directies, ouders, politici … uit om deze petitie te ondertekenen en te sturen naar Raf Feys, St.Hubertuslaan 71 8200 Brugge. Verspreid deze petitie zo ruim mogelijk.

Naam: Functie:
Adres: e-mail (eventueel):
onderschrijft de inclusie-petitie van O-ZON

Bijlage:hierbij de basistekst uit de leerzorgnota waarop de petitie reageert:

“Leerlingen die thuishoren in een onderwijsomgeving van leerzorgniveau III zijn leerlingen die met een individueel curriculum een zinvol leertraject in het buitengewoon of in het gewoon onderwijs kunnen volgen.

Op leerzorgniveau III wordt het gewone curriculum verlaten.
De problemen van deze leerlingen (hardnekkige leerproblemen, ernstige functionele beperkingen, ernstige gedrags- en emotionele problemen, autisme…) vragen substantiële wijzigingen van het onderwijsaanbod. Het onderwijs krijgt vorm op basis van doorgedreven handelingsgerichte diagnostiek en individuele handelings- en participatieplanning. Een alternatieve leerweg geeft aan hoe de leerling het best kan participeren in de klas en de school.

In de huidige situatie zullen we de leerlingen die behoefte hebben aan een onderwijsomgeving van leerzorgniveau III eerder terugvinden in scholen voor buitengewoon onderwijs. Maar we willen een kader aanreiken zodat ouders ook een keuze kunnen maken voor een onderwijstraject in een gewone school. De nodige ondersteuning wordt onafhankelijk gemaakt van deze keuze. Kiezen ouders voor de inschrijving in een school voor gewoon onderwijs en gaat deze school het engagement aan, dan gaat met de leerling een gelijkwaardig pakket middelen mee als wat hij in de buitengewone school zou ‘inbrengen’.
Beleidsmatig nemen we voor leerzorgniveau III dus geen standpunt in over de onderwijssetting waarin deze leerlingen het best onderwijs volgen. De leerlingen op leerzorgniveau III kunnen zowel in het gewoon als in het buitengewoon onderwijs les volgen. De school, het CLB en de ouders bekijken samen welke setting hiervoor in aanmerking komt, maar de eindbeslissing blijft bij de ouders. De zorgcoördinator of de leerlingenbegeleider van de ontvangende school bepaalt samen met een begeleidende klassenraad de ondersteuning en de handelingsplanning. Dit gebeurt in samenspraak met de ondersteuners. De handelingsplanning wordt gebaseerd op ontwikkelingsdoelen en waar mogelijk worden voor onderdelen eindtermen nagestreefd.
Voor de realisatie van de gelijkwaardige keuze voor gewoon of buitengewoon onderwijs willen we een realistisch tijdpad uitzetten.

Inschrijvingsrecht van lln. leerzorgniveau III in gewoon onderwijs

Op het moment van de volledige implementatie van dit onderdeel van leerzorg willen we komen tot een situatie waarbij we het recht van ouders garanderen om op leerzorgniveau III een inschrijving te bekomen in een gewone school.
De draagkracht van individuele scholen zal beschermd worden doordat boven een bepaald percentage van aanwezigheid van leerlingen die een onderwijsomgeving van leerzorgniveau III nodig hebben, onvoldoende draagkracht door die school kan ingeroepen worden.

Dit principe geldt bij inschrijving van nieuwe leerlingen die een inschaling hebben in leerzorgniveau III van de verschillende clusters en doelgroepen én bij de overgang van leerzorgniveau II naar leerzorgniveau III.
De percentages kunnen verschillen naargelang de cluster en/of doelgroepen binnen een cluster. Voor bepaalde doelgroepen kan dit mechanisme versneld worden uitgevoerd in de loop van de implementatiefase van 5 tot 7 jaar die we daarvoor voor ogen hebben.

Tot het moment van de volledige implementatie van dit onderdeel zal de regeling van het GOK-decreet gehandhaafd blijven in die situaties waarbij ouders een inschrijving vragen en de betrokken school de leerling wil weigeren op basis van draagkracht. Dit betekent dat het LOP zal blijven bemiddelen en de Commissie inzake Leerlingenrechten kan gevraagd worden een uitspraak te doen in situaties van onenigheid. Dit betekent ook dat leerlingen met ernstige leerstoornissen een inschrijvingsrecht blijven behouden tijdens de duur van de implementatiefase.
De terminologie van het GOK-decreet zal aangepast moeten worden aan leerzorg.

Wanneer een gewone school een leerling die thuishoort in leerzorgniveau III inschrijft of op school houdt, kan ze rekenen op een leerling-gebonden financiering die moet toelaten de nodige ondersteuning te organiseren. Dit kan door het aanspreken van een school voor buitengewoon onderwijs met expertise voor de doelgroep waartoe de leerling behoort.
Op deze wijze worden scholen die vandaag al dergelijke leerlingen opvangen en dit engagement in de toekomst verder zetten, beloond voor hun inspanningen. Andere scholen krijgen de kans om onder betere omstandigheden goede praktijk te ontwikkelen. Voor scholen buitengewoon onderwijs dienen zich nieuwe mogelijkheden aan om hun ondersteunende rol ten aanzien van het gewoon onderwijs in te vullen. Dit komt neer op een versterking en uitbreiding van het mechanisme van GON.”