U bevindt zich hier:

Proefdruk manifest

Ontscholing

Oproep Marc Hullebus

Indicatoren

Prof. Jaap Dronkers

Ontscholingsdiscours

Getuigenissen

Enkele reacties

Minister Vandenbroucke

Debat in 'KLASSE'

Ontscholer Laevers

Reactie van neerlandici

Talenplan

Nederlands Planbureau

Prof. Wim Rietdijk

Karl Dittrich

Minimale leiding

Telling lessons

Beter Onderwijs Nederland

Franse Refondation-ecole

Laevers & CEGO

Oproep politici

Taaldossiers onderwijskrant

O-zonberichten

Inclusie-petitie

O-zon manifest

Onderwijskrant 151

Zoeken naar:

Algemeen:

Startpagina

Contact

Colofon

Minister Vdb toont te weinig begrip voor massale verzet tegen onderbenutting van talenten, ontscholing & doorhollingsbeleid

Raf Feys en Noël Gybels

1 (On)begrip vanwege minister

De voorbije twee jaar stelden we vast dat minister Vandenbroucke wat afstand nam van het officieel ontscholingsdiscours van de voorbije jaren en van zijn voorgangster Marleen Vanderpoorten. De leerkrachten werden dan ten laste gelegd dat ze te veel begaan waren met de kennis en de leerprestaties en zelf nog te veel les wilden geven. Zo gaf Vanderpoorten op 1 september 2001 de leerkrachten de ‘bemoedigende’ boodschap dat ze voortaan niet meer vooraan in klas mochten staan.
Ook in het kader van zijn talenbeleidsnota pleit Vandenbroucke voor meer evenwicht tussen kennis en vaardigheden. Hij nam ook afstand van de 60/40 norm voor het vreemdetalenonderwijs. Hij geeft ook wel eens toe dat de zwakkere leerlingen meer structuur nodig hebben.

Tegelijk zijn we ontgoocheld omdat Vandenbroucke in het recente ontscholingsdebat het massale protest vanwege de leerkrachten al bij al onvoldoende ernstig neemt. In de Terzake-confrontatie en elders was Vandenbroucke niet bereid de stelling te onderschrijven dat het niveau van de leerlingen gedaald was of gedaald zou kunnen zijn. Je zou minstens verwachten dat een minister bij zoveel protest ook bereid zou zijn een breed debat en een onderzoek omtrent deze kwestie aan te kondigen. In een interview onder de spreekwoordelijke titel ‘We gaan niet terug naar vroeger’ (DS,9.12.12) verduidelijkte hij zijn standpunt: “Het is modieus om te zeggen dat het vroeger beter was, omdat er vroeger in klas meer kennis werd doorgegeven”, reageert de minister. “Maar ik doe daar niet aan mee – zoals ik aan geen enkele vorm van nieuwlichterij meedoe.” …”Kennis om de kennis deugt niet. Loutere vaardigheid zonder nauwkeurigheid en grondigheid al evenmin.” De minister wil wel enkele belangrijke correcties aanbrengen binnen het talenonderwijs. Daarbij moeten de eindtermen voor de taalvakken duidelijker worden geformuleerd. Er is taalgebruik enerzijds en structuur anderzijds. Het moet helder zijn hoe die verhouding is.” … “Vooral voor de zwakkere leerlingen is het belangrijk om voldoende kennis en structuur bij te brengen. … Daarbij blijft de ordenende rol van de leraar zeer belangrijk. Ik besef dat de leerkrachten een moeilijke taak hebben. Ze staan onder druk van de samenleving, die hun gezag weinig erkent. Ik wil als minister zoveel mogelijk mijn best doen om hun gezag te herstellen”.

We horen Vandenbroucke graag zeggen dat er meer evenwicht moet zijn tussen vaardigheid en taalstructuren, meer gestructureerde lessen, meer respect voor het gezag van de school en van de leerkrachten. We betreuren dat Vandenbroucke tot nog toe te weinig luistert naar de kritiek van de leerkrachten en te weinig rekening houdt met hun opvattingen en ervaringen - ook inzake taalonderwijs.

Nog enkele voorbeelden. *Binnen het debat en wereldwijd krijgt het competentiegericht onderwijs veel kritiek – ook in officiële Nederlandse rapporten. In het interview in Tertio’ (20.12.06) manifesteert Vdb zich echter als een aanhanger van het gecontesteerde competentiegericht onderwijs. *Gestructureerde vakdisciplines vormen volgens de meeste leerkrachten en volgens de Nederlandse Onderwijsraad dé basis van het leerproces in het secundair onderwijs. In ‘Tertio’ relativeert Vdb heel sterk het belang van disciplinair geordende kennis en hij lanceert de hype van de geïntegreerde proef in het aso. *De critici stellen dat de ontscholing en ont-intellectualisering ook tot een grotere onmondigheid en tot minder onderwijskansen leiden. Vdb beweert het omgekeerde: “de leerlingen kregen vroeger louter overdracht van kennis en werden aldus weinig mondig gemaakt.” Deze uitspraak getuigt ook van weinig waardering voor de sterke traditie van ons onderwijs.

2 ‘Voortdurend vernieuwen’: niet verstandig

In het december-debat beluisterden we veel kritiek op het doorhollingsbeleid van het ministerie en het voortdurend in vraag stellen van vaste waarden die hun deugdelijkheid al vele decennia bewezen hebben. Ook Jos Van Der Hoeven, algemeen secretaris COC, brengt de ontscholing in verband met het Vlaams doorhollingsbeleid van de voorbije 15 jaar. Minister Vdb stelt in het Tertio-interview dat enkel ‘de noorderburen de gewoonte hebben radicale hervormingen door te voeren’. Sinds Vlaanderen autonoom is, imiteren onze beleidsmensen echter heel sterk het Nederlandse omwentelingsbeleid.

Vdb pakt in Tertio zelf uit met zijn vernieuwingsdrang, zijn drie v’s: ‘voortdurend verstandig vernieuwen’. ‘Voortdurend vernieuwen’ heeft precies geleid tot een aantasting en verkwakzalving van het onderwijs. Vdb stelt wel terecht: ‘voor je vernieuwt moet je zeker zijn van je stuk’. Maar Vdb pakt zelf al te zelfzeker uit met zijn eigen hervormingen. Hij loopt hoog op met zijn hervorming van het regentaat. Dit is de derde hervorming in 10 jaar en betekent dit keer zelfs de doodsteek: de regentenopleiding is zelfs niet meer organiseerbar en betaalbaar. Vdb propageert ook met zelfzekerheid zijn radicale inclusieplannen; weinig of geen leerkrachten achten ze echter wenselijk en realiseerbaar. Radicale inclusie betekent een breuk met de basisgrammatica van de school; men stapt voor het eerst af van het basisprincipe dat de leerlingen voldoende profijt moeten kunnen halen uit de groepslessen en uit het groepsgebeuren. Als Vandenbroucke niet oppast dan krijgt ook hij straks een plaats in de galerij van ‘doorhollende onderwijsministers’.

3 Ontscholingsdruk vanwege inspectie; weinig of geen niveaubewaking

3.1 Minister ontkent inspectiedruk

Pieter Lesaffer schrijft in ‘De Standaard’ dat de onderwijsinspectie niettegenstaande de recente kritiek nog steeds de mening toegedaan is dat het Vlaams onderwijs te veel kennisgericht is (6.12.06). Ook in het rapport over de toestand van het vak ‘Frans’ bekritiseren de inspecteurs-opstellers het feit dat er nog te veel aandacht gaat naar kennis. Dit is ook de kritiek die de leerkrachten de voorbije jaren voortdurend bij doorlichtingen te horen kregen. In de Terzake-confrontatie was Vdb niet vatbaar voor de kritiek dat de overheid en de inspectie mede verantwoordelijk zijn voor de ontscholing en de malaise in het talenonderwijs. Vdb stelde dat de inspectie principieel geen uitspraken doet en mag doen over de methodiek en over bijvoorbeeld de 60/40-norm voor het taalonderwijs (= minstens 60 % van de tijd voor de vaardigheden). De overheid (DVO en de inspectie) heeft de leerplanontwerpers (ten onrechte) verplicht om in het leerplan ook een hoofdstuk over de methodiek in te lassen. Bepaalde taalleerplannen leggen bijvoorbeeld een 60/40-norm op (hoogstens 40 % van de tijd voor de kennis). Als de inspectie dan de uitvoering van de leerplannen evalueert, dan controleert de overheid indirect ook de didactische aanpak – als een wettelijke verplichting. Na het Terzake-debat schreef Hullebus terecht: “De minister is duidelijk niet op de hoogte van wat tijdens doorlichtingsgesprekken door de leden van het inspectieteam gezegd wordt. En nog veel minder over de manier waarop het gezegd wordt. Het volgende citaat over de 40/60 verhouding voor Frans in dit geval - geeft perfect de sfeer weer tijdens zo’n gesprek: Eén van de doorlichters sloeg tijdens een recente doorlichting letterlijk met zijn vuist op tafel om te zeggen dat dit wet was en dat als we niet zwegen, we onmiddellijk een onvoldoende zouden krijgen.”

Een paar dagen later nuanceerde de minister die opvatting een beetje in het interview in De Standaard: “De 60/40 regel is het gevolg van ooit gemaakte afspraken op pedagogische seminaries, die de pedagogische begeleiders en de netten blijkbaar hanteren en in leerplannen hebben geïntegreerd. De zogenaamd verplichte 60/40- verhouding is een eigen leven gaan leiden. Naarmate je meer integratie van kenniselementen en vaardigheden voorstaat, voel je wel aan dat de 60/40 vandaag een te schematische voorstelling van zaken is.” Voor Vandenbroucke is het alleszins de aanleiding om de communicatie van de Vlaamse overheid naar de scholen onder de loep te nemen. “Blijkbaar schort er iets aan onze communicatie? We moeten eens kijken hoe we dit kunnen verbeteren.” Geeft Vandenbroucke hier impliciet toe dat de overheid via de inspectie zich al te vaak bemoeit met de methodiek en de pedagogische aanpak binnen het onderwijs? Waarom geeft hij dit niet openlijk toe? Ook Onderwijskrant ontving in het verleden veel lezersbrieven waarin geklaagd werd over de sterke bemoeienis van de inspectie met de methodiek van de verschillende vakken en over het opdringen van de EGO-visie en het EGO-kindvolgsysteem. In een paar bijdragen over de inspectie hebben we deze thematiek uitvoerig aangekaart.

3.2 Geen productcontrole en niveaubewaking

In het Tertio-interview (20.12.06) suggereert minister Vdb dat er werkelijk en wettelijk iets schort aan de inspectie: “De inspectie houdt zich niet zo bezig met de evaluatie van de leerresultatenNu leggen we te veel de nadruk op het proces. Het proces moet echter ook het verwachte resultaat opleveren”. Als de inspectie haar decretale kernopdracht - de productcontrole – verwaarloost, dan is dit een typisch symptoom van de ontscholing. Het is de overheid, de DVO, de inspectie … zelf die de niveaubewaking afbouwt. Het flexibiliseringsdecreet voor het hoger en universitair onderwijs bemoeilijkt ook de niveaubewaking.

4 (On)begrip in taalbeleidsplan

In de recente talennota gaan de minister en zijn medewerkers ook onvoldoende in op de belangrijkste verzuchtingen van de leerkrachten en de belangrijkste knelpunten worden verzwegen. Zij vragen zich bijvoorbeeld onvoldoende af hoe het komt dat de allochtone leerlingen te weinig taalvorderingen maken - en dit niettegenstaande de hoge investering in de Steunpunten sinds 1990 (NT2-Leuven, CEGO). CEGO noch NT2-Leuven propageren een intentionele en leerkrachtgestuurde benadering. CEGO propageert 62 à 72 % vrij spel in het kleuteronderwijs en ook volglens NT2-Leuven moet de juf zich vooral als ‘coach’ opstellen. Binnen zo’n aanpak beluisteren, leren en spreken de allochtone leerlingen veel te weinig Nederlands. Het afnemen van peilproeven zal hier niets aan verhelpen. En als straks de mensen die medeverantwoordelijk zijn voor de malaise nog meer begeleidingscenten krijgen, dan kan je niet verwachten dat ze hun eigen filosofie in vraag zullen stellen.

Minstens 90% van de leerkrachten en ouders vragen dat er ook in het basisonderwijs veel meer aandacht zou zijn voor grammatica. De minister geeft toe dat er meer aandacht moet zijn voor de taalstructuren. Dan verwacht je dat de elementaire basiskennis – zoals lijdend en meewerkend voorwerp – terug ingevoerd zal worden. Maar in de talennota kregen precies de verantwoordelijken voor het schrappen van de grammatica opnieuw de kans om grammatica als verwerpelijk voor te stellen en de voorstanders als ‘dwazen’ af te schilderen. De grotere aandacht voor taalstructuren slaat bijna uitsluitend op meer aandacht voor de modieuze taalbeschouwing die in de eindtermen de plaats van de klassieke grammatica heeft ingenomen. In een aparte bijdrage gaan we dieper in op de grammatica-story.

5 Vernieuwingsestablishment desavoueren?

Minister Vanderpoorten nam de leerkrachten kwalijk dat ze te veel met kennis bezig waren. Vdb erkent wel dat er moet bijgestuurd worden, maar het openlijk afstand nemen van hervormingen uit het verleden en van officiële ontscholers (topambtenaren, DVO, inspectie, beleidsadviseurs …) vindt hij blijkbaar te delicaat. Het was bijvoorbeeld zijn DVO-overheidsdienst die op eigen houtje in de memorie van toelichting bij de eindtermen schreef dat deze gebaseerd waren op een constructivistische visie op het leerproces en die sterk aandrong op de vermindering van de basiskennis. Vandenbroucke durft blijkbaar ook geen kritiek formuleren aan het adres van de sterk gesubsidieerde Steunpunten voor zorgverbreding en GOK die de voorbije 12 jaar de ontscholing mochten opdringen, met inbegrip van de modieuze aanpak van het taalonderwijs. Het zijn merkwaardig genoeg ook de Leuvense professoren uit de groep rond Koen Jaspaert en Kris Vanden Branden die mede verantwoordelijk zijn voor de ontsporingen op taalgebied, die Vdb heeft aangesproken om hem te adviseren en om taaltoetsen en dergelijke op te stellen.

Vdb durft ook niet openlijk afstand nemen van het doorhollingsbeleid van de voorbije 15 jaar. In Engeland en Frankrijk namen de onderwijsministers de voorbije jaren wel openlijk afstand van het verleden. In Nederland vroeg de minister vorig jaar een advies aan de Onderwijsraad nopens de daling van de leerprestaties. Ook veel politici nemen er nu afstand van het doorhollingsbeleid.

5 Besluit

In het Onderwijskrantinterview (januari 2006) hebben we de minister uitdrukkelijk gewezen op de problemen die het officiële ontscholingsdiscours veroorzaakt en op de nood aan bepaalde vormen van herscholing. We hebben ook uitgedrukt dat we best tevreden waren met het feit dat hij meer belang hecht aan leerprestaties en aan een gestructureerde aanpak – veel meer dan minister Vanderpoorten destijds. Anderzijds betreuren de leerkrachten dat Vdb hun opvattingen onvoldoende ernstig neemt.

Vandenbroucke wil dat zowel de zwakkere als de betere leerlingen meer hun talenten benutten. Dan is de meest dringende maatregel: het terugdringen van het ontscholingsdiscours en een verhoging van het niveau van het gewone onderwijs. Als de minister en andere verantwoordelijken de leerkrachten bijvoorbeeld minder zouden beletten om meer effectief onderwijs te realiseren, dan zou dit al een stap in de goede richting zijn. Zo’n bijsturing kost overigens niets. In het perspectief van het beter benutten van de talenten is ze belangrijker dan de extra-zorgverbredingsinitiatieven. We verwijzen in dit verband naar de bijdrage van prof. Jaap Dronkers over het beter benutten van de talenten – elders in dit themanummer.