U bevindt zich hier:

Proefdruk manifest

Ontscholing

Oproep Marc Hullebus

Indicatoren

Prof. Jaap Dronkers

Ontscholingsdiscours

Getuigenissen

Enkele reacties

Minister Vandenbroucke

Debat in 'KLASSE'

Ontscholer Laevers

Reactie van neerlandici

Talenplan

Nederlands Planbureau

Prof. Wim Rietdijk

Karl Dittrich

Minimale leiding

Telling lessons

Beter Onderwijs Nederland

Franse Refondation-ecole

Laevers & CEGO

Oproep politici

Taaldossiers onderwijskrant

O-zonberichten

Inclusie-petitie

O-zon manifest

Onderwijskrant 151

Zoeken naar:

Algemeen:

Startpagina

Contact

Colofon

Nederlands Planbureau: onderwijsniveau leerlingen dramatisch
Onderwijsraad: positie van kennis in onderwijs staat onder druk

Onderwijsraad & Planbureau

1 Inleiding: verzet in Nederland

In de punten 2 en 3 publiceren we de officiële samenvatting van recente alarmerende rapporten vanwege de Nederlandse Onderwijsraad (december 2006) en van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Beide instanties maken zich grote zorgen over de daling van het kennisniveau en van het aandeel van de ‘gewone’ instructie. We weten dat het gangbare ontscholingsdiscours bij ons tot nu toe minder invloed had op de klaspraktijk dan in Nederland het geval was. Toch merken we de voorbije tien jaar dat de beleidsmensen en het vernieuwingsestablishment steeds meer ideeën en hervormingen uit Nederland kopieerden, soms punten en komma’s incluis. De alarmerende Nederlandse rapporten houden ons een spiegel voor.

Bij onze noorderburen zijn zowel de ontscholing als het verzet tegen de ontscholing in een stroomversnelling geraakt. De mislukking van het Studiehuis, de vele niveauklachten vanuit het hoger onderwijs en de radicale ontscholing binnen de experimenten met ‘Het Nieuwe Leren’ hebben het verzet en de discussie aangewakkerd. ‘Het Nieuwe Leren’ gaat ervan uit dat de ontscholingsinitiatieven in het verleden (b.v. Studiehuis, vaardigheidsonderwijs i.p.v. kennis) halfslachtig waren en daardoor mislukten. Enkel een radicalere ontscholing kan soelaas brengen.

Pas recentelijk kreeg het verzet er ook veel steun vanuit officiële instanties en vanuit de politieke partijen. Op 28 juni 2006 publiceerde het (Nederlandse) Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) een samenvatting van zijn standpunt met als titel: Onderwijsniveau leerlingen dramatisch. In december 2006 publiceerde de Nederlandse Onderwijsraad de tekst ‘De positie van de kennis in het onderwijs staat onder druk’. Volgens de Onderwijsraad zijn er voldoende aanwijzingen dat de kennis voor Nederlands en wiskunde op alle niveaus van het onderwijs gevoelig is gedaald. Dit is ondermeer het gevolg van het modieuze competentiedenken. Volgens de Raad moet er drastisch ingegrepen worden. We lezen her en der wel dat velen betreuren dat de Onderwijsraad vrij laat komt met zijn alarmerend standpunt. Nu het kwaad is geschied wordt het toch moeilijk om terug op het juiste pad te geraken. Als reactie tegen de ontscholing van het onderwijs werd de Vereniging ‘Beter Onderwijs Nederland’ opgericht die al honderden reacties en vele debatten uitlokte. De linkse ‘Socialistische Partij’ (SP) sloot zich bij het verzet aan en kreeg bij de recente verkiezingen enorm veel stemmen vanwege de leerkrachten. De lezing van het partijprogramma van de SP inzake onderwijs is leerrijk en revelerend.

Ook omtrent de spectaculaire daling van het niveau in het hoger onderwijs is er in Nederland veel te doen. Zelfs Karl Dittrich, directeur van de Nederlands-Vlaamse AccreditatieOrganisatie (NVAO) betreurde onlangs de daling van het kennisniveau in het hoger onderwijs. Hij wees tevens op de recente herwaardering van de kennis: “Kennis wordt niet langer gezien als een van de samenstellende delen van competenties, maar als een noodzakelijke voorwaarde en als de belangrijkste voorwaarde daarvoor” (zie verder afzonderlijke bijdrage hierover).

In Engeland en Frankrijk was/is het debat over de ontscholing van het onderwijs al langer aan de gang. In het Verenigd Koninkrijk spant de overheid zich al meer dan tien jaar in om de ontscholing terug te draaien, om het kennisniveau weer op te krikken en om de geleide instructie in ere te herstellen. Dit alles onder het motto ‘return to interactive whole-class-teaching’. Dit leidde al tot een verhoging van het niveau, maar voor leerkrachten die geen ervaring hadden met meer geleide instructie, bleek de overschakeling een moeilijke zaak. De voorbije vijf jaar merken we een analoge opstelling vanwege de Franse onderwijsministers en een stroom van publicaties tegen de ontscholing.

2 Standpunt Onderwijsraad (dec. 2006)

In Nederland kreeg de Onderwijsraad in het verleden de kritiek dat ze zich te weinig inliet met zaken zoals de ontscholing van het onderwijs en al te vlug meeheulde met de vernieuwingswolven. Onlangs kwam daar enige kentering in. De Onderwijsraad wil met zijn rapport ook een groot debat op gang brengen. Het wordt hoog tijd dat onze VLOR zich ook eens met deze actuele kwestie inlaat. Hierna drukken we de officiële samenvatting van het rapport van de Onderwijsraad af.

2.1 Inleiding

‘Leerlingen kunnen geen staartdeling meer maken en weten niets van de vaderlandse geschiedenis.’ ‘Studenten staan leuk in het leven, maar feitenkennis hebben ze niet.’ Als we de media moeten geloven draagt het onderwijs nauwelijks nog kennis over. Daarom vroeg de minister van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) de Onderwijsraad een verkenning uit te brengen met de hoofdvraag: is het nodig in het onderwijs meer aandacht te besteden aan kennis?

Het Nederlandse basis- en voortgezet onderwijs is, in vergelijking met andere landen, van behoorlijke kwaliteit. … Toch lijkt de positie van de kennis in het onderwijs onder druk te staan. Dat blijkt uit de stroom van kritiek die erop neerkomt dat het onderwijs te weinig kennis bijbrengt. En uit de instituten voor huiswerkbegeleiding die als paddenstoelen uit de grond schieten, uit studenten die gemiddeld maar een gering aantal uren studeren en uit een teruglopend aantal contacturen (extensivering van onderwijs).

2.2 Vijf aanbevelingen om de kennis te verstevigen

Onderwijs dient veel doelstellingen en doelgroepen. Het is niet verantwoord om één antwoord te geven op de vraag of het onderwijs meer aandacht dient te besteden aan kennis. De onderwijssectoren en de vakgebieden verschillen dusdanig dat de beantwoording van deze vraag een gedifferentieerd beeld oplevert. Samenvattend stelt de raad dat in alle onderwijssectoren de rol van kennis verstevigd kan worden. Want niet alleen dreigen mensen met onvoldoende kennis nog verder achter te blijven, ook de wat beter opgeleiden kunnen door onvoldoende kennis terrein verliezen. De raad formuleert vijf aanbevelingen om de positie van kennis in het onderwijs te verstevigen.

* Zorg voor betere bewaking van het kennisniveau

Landelijke gegevens over de beheersing van specifieke kennisgebieden zijn maar beperkt
beschikbaar. Het onderwijs kan daardoor onvoldoende anticiperen op signalen over niveauverlies en achteruitgang van verworven kennis in het onderwijs. Daarom is er ten eerste meer informatie nodig over de bereikte kennisniveaus. Dit kan door het opzetten van landelijke, structurele peilingen in het basis-, voortgezet en hoger onderwijs en in de bve-sector (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie).

* Repareer kennistekorten voor Nederlands en wiskunde

Uit de beschikbare peilingen blijkt geen sterke achteruitgang van het kennisniveau over
de hele linie van het onderwijs. Maar er zijn wel signalen dat er in alle onderwijssectoren
een niveauverlies is voor de vakgebieden Nederlands en wiskunde. Ook blijkt het onderwijs soms tekorten bij leerlingen en studenten te repareren, waarbij wederom kennistekorten voor Nederlands en wiskunde in het oog springen.

Voor Nederlands gaat het om basisvaardigheden als woordenschat, grammatica en zinsbouw en om meer complexe vaardigheden als het onderscheiden van hoofd- en bijzaken, structureren en redeneren. Wat wiskunde betreft is er sprake van een niveauverlies en een tekort aan rekenvaardigheden en formulevaardigheden. Daarom formuleert de raad als tweede aanbeveling dat opleidingen en instellingen tekorten voor Nederlands en wiskunde bij hun leerlingen en studenten moeten signaleren en repareren, en dat de minister steun dient te geven aan dergelijke reparatieprogramma’s.

* Verbeter de systematiek van het vaststellen en vastleggen van onderwijsinhouden

Op dit moment is er onvoldoende systematiek in de manier waarop we de onderwijsinhouden vaststellen en onderhouden. Daarbij leidt het internet tot een enorme en onoverzichtelijke veelheid aan kennisbronnen. Als reactie hierop wordt het accent verlegd naar het opzoeken, vinden en selecteren van kennis. Daarom stelt de raad ten derde dat er een betere systematiek moet komen voor het bepalen van de onderwijsinhouden, die periodiek meer mensen bij de inhoud van het onderwijs betrekt en daardoor meer ruimte geeft voor afwegingen over het belang van leerinhouden. Want meepraten over de inhoud van het onderwijs, dat is wat veel mensen willen, en we moeten daarvoor de ruimte scheppen en de onderwijsinhouden niet afschermen.

Van belang is daarbij opnieuw aan te geven wat de harde kern is en wat de periferie van een vak- of leergebied. Daarvoor moeten ook inhoudelijke referentiepunten als een basisniveau en leerstandaarden worden vastgelegd, bij voorkeur gekoppeld aan het Europese kwalificatiekader. Het internet maakt het mogelijk deze kennis en het bijpassend lesmateriaal relatief goedkoop, efficiënt en onderhoudbaar ter beschikking te stellen aan scholen. Scholen hoeven dan niet te wachten op schoolboeken die eens in de zoveel jaar gedrukt worden. Deze concentratie op de kern en ontsluiting van de onderwijsinhoud kunnen voor een reële versteviging van de positie van kennisverwerving in het onderwijs belangrijk zijn. Vastlegging en (externe) toetsing van het kennisniveau van leerlingen en
studenten acht de raad van belang juist in een situatie waarin onderwijsinstellingen eigen verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van het onderwijs. Bij vrijheid in het ‘hoe’ hoort duidelijkheid over het ‘wat’.

* Stel onderwijsinhoud centraal, ook bij procesvernieuwing

Het onderwijs behoort zichzelf voortdurend te verbeteren en te vernieuwen. Gelukkig is het onderwijs hier volop mee bezig. Vergeleken met enige tijd geleden is er sprake van een interne dynamiek die niet genoeg geprezen kan worden. Toch is hier enige voorzichtigheid geboden. Want er bestaat soms een problematische relatie tussen onderwijsinhoud en onderwijsvernieuwing. Opleidingen stellen bijvoorbeeld in het kader van onderwijsvernieuwing het zelfstandig leren centraal en formuleren dat het onderwijs zich moet richten op het leerproces in plaats van op de leerstof. Docenten moeten leerlingen begeleiden bij het proces van kennisverwerving in plaats van zelf kennis over te dragen.
Praktijkleren neemt de plaats in van schoolonderwijs. Dit kan allemaal leiden tot een informalisering en onderwaardering van de inhoud van het onderwijs.

De vierde aanbeveling is daarom: los van alle vernieuwingen in het onderwijsproces blijft de introductie in gestructureerde kennisgebieden de centrale component in het onderwijs. Bovendien: zolang niet bewezen is dat een nieuwe onderwijsmethode en -aanpak werkt (evidentie), moet in ieder geval duidelijk zijn dat invoering geen ongewenste effecten heeft voor de verdere onderwijsloopbaan. Procesverbeteringen zijn nodig, maar niemand zit te wachten op een onderwaardering van de onderwijsinhoud.

* Behoud en versterk het kennisniveau van leraren

Een vijfde aanbeveling om de positie van kennis in het onderwijs te verstevigen is ten slotte de eerder gedane, maar nog steeds cruciale aanbeveling om het niveau van leraren en de lerarenopleidingen op peil te houden en te versterken. Vakkennis van leraren mag niet meer aan gewicht verliezen. Voor goed onderwijs is een goede kennisbasis bij de leraren noodzakelijk.

* Nederland verdient een hogere onderwijsnorm

Mogen we tevreden zijn met het huidige niveau van het onderwijs? Onze vijftienjarigen scoren internationaal goed, maar zo moeilijk zijn die toetsopgaven niet. Zou de lat niet in alle onderwijssectoren hoger kunnen liggen? Zouden we gezien onze culturele achtergrond, onze welvaart, de technologische ontwikkeling en de ambities die we voor ogen hebben, niet een hoger niveau mogen verwachten van leerlingen, studenten en docenten? De raad vindt van wel. Het verhogen van de onderwijsnorm vereist wel intensiveringen van tijd en geld in het onderwijs. Het schrappen bijvoorbeeld van de mogelijkheid om bij het examen van het voortgezet onderwijs tussen vakken te compenseren, vereist meer inzet van leerlingen en docenten. Een hogere norm voor Nederlands en wiskunde in het middelbaar beroepsonderwijs vereist vakdocenten die tijd nemen om deze vakken te onderwijzen. Meer aandacht voor Nederlands in het hoger onderwijs vereist
onderwijsinzet; het laten meewegen van de Nederlandse taal in de beoordeling vereist ook meer correctietijd. De raad is een voorstander van het opwaarderen van de norm waaraan we onszelf meten. Er is geen reden tot tevredenheid als met extra inspanning, zo veel meer kan worden bereikt. Dit punt voegt de raad toe aan zijn vijf hierboven genoemde aanbevelingen.

2.3 Debat over de kennis in het onderwijs voor en door het onderwijs

Vijf aanbevelingen om de positie van kennis in het onderwijs te verstevigen en één om
de lat in het onderwijs hoger te leggen. Maar delen betrokkenen de diagnose en de aanbevelingen? Stellen het veld en andere deskundigen dezelfde of liever andere prioriteiten? Hoe ziet de hogere norm voor een leerweg, profiel of opleiding er uit? De Onderwijsraad zal een brede consultatie organiseren onder betrokkenen, met het verzoek de analyse en aanbevelingen van de verkenning binnen de school of instelling te bespreken en zo mogelijk de raad over de bevindingen te informeren. De resultaten van de consultatie gebruikt de raad voor een aanscherping van de aanbevelingen aan de minister in 2007.

3 ‘Onderwijsniveau leerlingen dramatisch’ (februari 2006)

Vooraf: het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) stelde een rapport op over de daling van het onderwijsniveau in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs, en brengt dit ook in verband met het tanende onderwijsniveau in de basisschool en het voortgezet onderwijs. Het Planbureau focuste op de situatie in het middelbaar beroepsonderwijs te vergelijken met ons tso en bso en in het hoger beroepsonderwijs (ons HOBU).

“Het onderwijsniveau van leerlingen in het beroepsonderwijs daalt zienderogen. Dat concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in een rapport van 28.02.06. Het SCP wijt het tanende onderwijsniveau vooral aan de basisschool en het voortgezet onderwijs, waar vaker de ontwikkeling van de leerling centraal staat en niet meer de leerstof. Volgens de onderzoekers weten en kunnen jongeren daardoor steeds minder. Maar ook in het middelbaar- en hoger beroepsonderwijs wordt weinig gedaan om dit bij te spijkeren (middelbaar beroepsonderwijs = hogere cyclus van tso en bso; hoger beroepsonderwijs = ons HOBU).

De niveaudaling is mede een uitvloeisel van de afname van het contact tussen leraren en leerlingen, schrijft het planbureau. De effectieve onderwijstijd - de tijd die leerlingen daadwerkelijk in de klas doorbrengen - zou er momenteel zijn weggedrukt door het zogeheten competentiegericht leren waarbij de beroepspraktijk in hoge mate bepalend wordt voor de inhoud en inrichting van het beroepsonderwijs. Door zelfstandig leren en het groepsgewijs uitvoeren van projecten worden ze er ook niet slimmer op.

Zo staat het beroepsonderwijs tegenwoordig grotendeels in het teken van zelfstandig leren en groepsgewijs uitvoeren van projecten. Rampzalig, aldus het SCP, dat weet dat in het hoger (beroeps)onderwijs nog maar eenderde van de onderwijstijd in de klas wordt doorgebracht. In het middelbaar beroepsonderwijs wordt van de 850 verplichte uren per jaar maar een beperkt deel ingevuld met vakinstructie en kennisoverdracht door een leerkracht. Het planbureau voorspelt dat als leerlingen niet weer ‘gewoon’ les krijgen, 'dit op den duur onvermijdelijk ten koste gaat van het niveau van het onderwijs'. De onderzoekers hebben daarom ernstige bedenkingen bij het breed invoeren van het zogenoemde duaal onderwijs, het praktijkleren en competentiegericht onderwijs.

Bijlage: reactie van prof. Wilna A.J. Meijer (Utrecht)

“Ik vind dat scholen volledig verzaken als ze de leerling zelf laten uitmaken wat ze willen leren, wanneer en hoe. Als het samenstellen van een portfolio in de plaats komt van het halen van leerdoelen – die toch vooraf zijn opgesteld – verliest het onderwijs zijn bestaansrecht. Onderwijs is er nu juist voor om kinderen in te leiden in een aantal zaken die van belang zijn om te weten en die je niet vanzelf buiten school oppikt. Ik heb het over het onderwijs dat voor iedereen van belang is, over algemeen onderwijs. Als je van oordeel bent dat er niet zoiets is als een pakket van kennis en vaardigheden dat voor iedereen van belang is, hef dan het onderwijs maar op, zou ik zeggen. Natuurlijk hebben we in het onderwijs met een motivatieprobleem te maken, maar dat is niet nieuw.

Het zogenaamde Nieuwe Leren wordt te veel gepropageerd door een karikatuur te schetsen van de leraar en het onderwijs zoals het altijd geweest is. Evenals in de Reformpedagogiek van een eeuw geleden wordt weer gezegd dat de leraar het heft in handen had en het enige centrum van activiteit was en dat de leerlingen passief waren. Dat is onrecht doen aan de geschiedenis van het onderwijs. Het onderwijs is altijd gericht geweest op het leren van kinderen en het leren van kinderen is hoe dan ook een activiteit van de kinderen zelf. Dat motivatie vandaag de dag een probleem is, daar ben ik van doordrongen. Ik heb daar geen standaardantwoorden op. Maar opgeven om iets door te geven is het laatste wat je moet doen. Het probleem is er nu juist omdat er wel iets is wat we van belang vinden om door te geven.”